Ondankbare gelukszoekers

lesvos jongetje

Eigenlijk was ik van plan om alleen positieve verhalen over Lesvos met de wereld te delen. Die heb ik genoeg. Zo verzorgen de beste dansers van Afghanistan elke dag het in-de-rij-voor-je-food-entertainment op het dak van het Because We Carry busje (en dat was leuker dan het entertainment dat je bij de Efteling krijgt, voor je het weet pikken ze daar alle banen in), werpen allerlei mannen zich op als vrijwillige hulp (het zijn echt allemaal luie figuren, die vluchtelingen) en worden er duizenden mensen blij gemaakt met een boterham met kaas, fruit, kleding, luiers en dekens.

Op onze eerste dag helpen wij onze vrienden van Because We Carry een handje, zij zijn als enige aanwezig aan de Afghaanse kant van kamp Moria, want verder geeft kennelijk niemand iets om deze mensen. Ze hebben geen status als oorlogsvluchteling en bovendien is het volgens de wereld prima toeven in Afghanistan. Het zijn pure ‘gelukzoekers’. Zo ook die ene moeder met haar zoontje stevig aan de hand. Hij is een jaar of drie, uiterst kalm en kijkt me aan met grote donkere ogen. Zijn moeder lacht naar me en vraagt me of ik misschien een dekentje voor haar kind heb. Die heb ik, maar er staat nog een ellenlange rij voor me en we bewaren de dekentjes alleen voor baby’s die onderkoelt zijn. Zo was er net al paniek om een in folie gewikkelde, drijfnatte baby die kennelijk al vijf dagen dezelfde luier aan had en niet wilde stoppen met huilen.

Ik ben geen moeder, maar ik heb net als iedere andere vrouw de gave om te horen wanneer een baby honger heeft. Dat had deze baby. Maar ik laat het gekrijs dat ik achter me hoor maar even gaan, want ik ben met het jongetje bezig. Ik kijk naar zijn voetjes en zie sandaaltjes, waarop ik meteen met mijn vinger in zijn open schoentjes voel. Geen sokken, nat en vooral koud. Ik zet ‘m op een berg kleren, trek zijn zomerpaar uit en schrik me rot. Kapot zijn ze. Kapot van al die kilometers lopen op natte schoenen. Kapot van de nachtenlang slapen in de kou. Kapot van in de rij staan voor een boterham met kaas. Ik breek, maar ik slik het in. Mijn enige doel op deze plek is mensen blij maken.

In dit geval is dat een jongetje met de leeftijd van mijn neefje Jax. Terwijl Jax op dat moment met zijn vader en moeder Sesamstraat kijkt onder een dekentje op de bank, nadat hij de hele dag in de speeltuin heeft gebanjerd op zijn zwarte Vans met klittenband, doe ik het jongetje veel te grote roze sokken aan. Hij kijkt me verwonderd aan, alsof ik hem net de mooiste doos Duplo ooit heb gegeven. Ik wil schoenen vinden voor dit jochie en als een bezetene graai ik in de bak in de hoop een passend maatje vinden. En dan heb ik ze: zwarte Vans met klittenband, maat 23, kan geen toeval zijn. Ze zitten als gegoten en samen met zijn moeder juichen we alsof de wereld weer van ons is. Ik zou deze twee zo graag willen vertellen dat het allemaal wel goedkomt met onze wereld, maar diep van binnen weet ik dat zij niet overal worden gezien als een mensen zoals jij en ik.

Ik koester de gedachte dat het jochie misschien wel één van die gelukkigen is waar altijd wel een passend schoentje voor is. – Oké, next. – Een meisje van ongeveer elf jaar met klapperende tanden, of ik misschien een dekentje voor haar heb. Ik geef haar een trui, ze blijft staan en staart me aan. Hoe kan ik haar wegsturen en zeggen dat het wel genoeg is zo? Godverdomme. Ik sla een deken om haar en heen en wrijf haar warm. De bus is leeg, en ook al hebben we samen zo verschrikkelijk veel mensen geholpen en blij gemaakt, zo veel gezinnen lachend weg zien gaan, kleding die we zelf droegen afgestaan en zo veel honger gestild… Het was niet genoeg. Dan hoor ik de baby weer. Het in folie gewikkelde poppetje ligt in de armen van haar radeloze vader gedrukt. Die arme man, die niet veel meer draagt dan een foliedeken, kust en knuffelt uit pure radeloosheid zijn kind. Hij bedankt iedereen nog ongeveer zeven keer voor de nieuwe luier en de warme kleertjes. ‘No problem, no problem’, als wij ons excuseren geen droge kleren voor hem hebben. Hij barst in tranen uit en jammert ‘thank you, thank you’. Wat een ondankbare gelukszoekers zijn het toch, die vluchtelingen.

Laat een bericht achter:

Jouw emailadres wordt niet weergegeven

Site Footer